Het concept tuinstad

Garden cities
In Weimar behandelt Van Eesteren in zijn colleges stedenbouw het boek Garden Cities of To-Morrow (1898) van de grondlegger Ebenezer Howard. Hij introduceert het concept ‘tuinstad’ als een instrument voor het stichten van complete, stedelijke gemeenschappen in landelijke omgeving. In diens visie wonen in een tuinstad niet meer dan 32.000 mensen, met eigen voorzieningen. Rondom een stad kan zo een ring van tuinsteden ontstaan, als satellieten. Howards ideeën zijn vol idealisme: wonen en industrie moesten gescheiden blijven, de afstand naar het werk, voor boodschappen en naar school waren er kort en er was geen alcohol te koop. De tuinstad verenigt best of both worlds; de voorzieningen in de grote stad en het ritme en de rust van een plattelandsgemeenschap.

Tuinsteden
Stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren borduurde in de jaren twintig voort op het tuinstad-idee in het Algemeen Uitbreidingsplan voor Amsterdam. Volgens functionalistische principes werden wonen, werken, verkeer en recreatie geordend en meestal van elkaar gescheiden. Uiteindelijk zal dit in de jaren na de Tweede Wereldoorlog leiden tot de realisatie van uitbreidingswijken, waaronder de Westelijke Tuinsteden. De tuinsteden functioneren als zelfstandige wijken, met ieder zijn eigen winkels, scholen, kerken, veel groen en speelplaatsen. Deze nodigen uit tot ontmoeten en ontspannen. En de voorzieningen bieden bewoners een grote mate van zelfstandigheid ten opzichte van de oude stad.

Garden-City. Illustratie uit Garden Cities of To-Morrow van Ebenezer Howard; 1902.

Garden-City. Illustratie uit Garden Cities of To-Morrow van Ebenezer Howard; 1902.